Achtergronden bij triggerpoint-therapie


  Hanneke Heij      14-03-17

In het voorgaande blog las je over hoe triggerpoints ontstaan, welke klachten ze geven, hoe je ze herkent en hoe je ze deactiveert. In dit blog lees je meer over de theoretische achtergronden van myofasciale triggerpoints en triggerpointtherapie.Zo leer je meer over triggerpoints bij verschillende klachten en krijg je antwoord op vragen als: ‘Welke factoren belemmeren het herstel bij triggerpointtherapie’?

Triggerpoints behandelen bij bepaalde klachten

Sommige klachten komen vaak voor. Denk aan knieklachten, RSI/KANS, elleboogklachten, fybromyalgie, buikklachten, nek- en schouderklachten, onderrugklachten en klachten door chronische of subacute whiplash. In dit blog behandelen we een aantal veel voorkomende klachten.

Knieklachten

Knieklachten kunnen worden veroorzaakt door scheurtjes in kniebotjes, kraakbeen of de kniebanden. Het kniegewricht kan ook ontstoken zijn door bijvoorbeeld een bacterie of reuma problemen hebben. De cliënt kan door knieklachten mogelijk niet goed of pijnloos hurken, ervaart instabiliteit bij het lopen, of de knie schiet op slot bij bepaalde bewegingen.

Behandelen

Kan triggerpointtherapie helpen bij deze knieklachten? Toch wel. Door triggerpoint behandelingen halen we de oorzaak van het probleem niet weg zoals in bovengenoemde voorbeelden. Maar vaak denkt men dat een scheurtje de oorzaak is of een reumatische aandoening maar zijn het de spieren die de pijn veroorzaken, of specifieker, de triggerpoints. Maar ook als de oorzaak wel in de botstructuur zit, zullen de spieren eromheen het zwaar hebben. Dus als we die in optimale conditie kunnen krijgen en houden scheelt dat aanzienlijk in de pijn. De nadruk ligt na het inactiveren van de triggerpoints voornamelijk op een gerichte opbouw om de spieren te versterken, te stabiliseren en te rekken. Op het voorkomen van terugval kom ik later nog even op terug.

RSI/KANS

RSI/KANS komt ook heel veel voor. Met name kantoorwerkers en mensen die repeterend werk doen, veel boven hun macht werken of stress ervaren, kunnen hier last van krijgen. Een theorie suggereert dat dit komt doordat het lichaam voor nauwkeurige bewegingen het moet opnemen tegen de ruis in de hersenen, die altijd op de achtergrond aanwezig is bij het maken van bewegingen. Deze ruis wordt onder meer vergroot door stress: fysieke stress door te veel prikkels in de omgeving, zoals een flitsend beeldscherm, tocht en lawaai, mentale stress, van bijvoorbeeld complexe taken uitvoeren, en emotionele stress, door bijvoorbeeld werkdruk en faalangst.

Te veel spierspanning & cocontractie

Voor kleine, eenvoudige en lichte bewegingen moeten aansturende signalen over de (vergrote) ruis zien heen te komen. Het gevolg: er wordt te veel spierspanning opgeroepen of er is sprake van cocontractie, waarbij tegenovergestelde spieren tegelijk aanspannen.

Doorbloeding

Een andere theorie bevestigt dat juist de kleine bewegingen, het zogenoemde fijn-motorische werk, klachten kunnen opleveren. De verklaring hiervoor is echter anders. Namelijk dat bij de fijne motoriek spierspanning nodig is, terwijl de doorbloeding ontbreekt. Goede doorbloeding voor spieren die aan het werk zijn, komt immers alleen bij grotere bewegingen op gang. Het gevolg bij kleine bewegingen is dat spieren onvoldoende zuurstof krijgen, terwijl ze wel moeten ‘presteren’, worden belast en blijvend worden bewogen.

Behandelen

RSI/KANS sluipt erin. Je merkt het pas als het probleem voor echte problemen of klachten zorgt. Bijvoorbeeld bewegingsbeperking, krachtverlies, functiebeperking, pijn en sensibiliteitsuitval. Is RSI/KANS wel goed te behandelen? Zeer zeker. Met triggerpointtherapie wordt allereerst gezorgd dat de betrokken spierweefsels weer energie krijgen, zodat pijn wordt gereduceerd en de bewegingsmogelijkheid wordt vergroot. En er dient gekeken te worden hoe het komt dat iemand het zover heeft laten komen en zelf niet eerder ingegrepen heeft of bij zijn of haar werkgever aan de bel getrokken heeft. Vaak spelen gedachten als ‘ik hou het nog wel even vol’, ik kan niet anders want…, het is bijna vakantie, - een rol die ervoor zorgt dat iemand de pijnsignalen negeert.

Heeft je cliënt last van zijn of haar onderarm? Dan is het goed om te weten dat triggerpoints die onderarmklachten veroorzaken, zich vaak ook in de nek-, bovenrug-, schouders- en borstspieren bevinden. Als triggerpointcoach ga je altijd op zoek naar de veroorzakende, primaire triggerpoints. Je zorgt eerst voor pijnvermindering, en ondertussen zoek je naar de in standhoudende en veroorzakende factoren.

Buikklachten

Bij buikklachten wordt er niet snel gedacht aan triggerpoints. Toch kunnen triggerpoints wel degelijk buikklachten veroorzaken. Over welke buikklachten gaat het dan? Over misselijkheid, buikkrampen, diarree, blaasproblemen en hevige menstruatiepijn bijvoorbeeld.

Behandelen

Behandel je triggerpoints in de buikregio, dan is het van belang om voorzichtig te palperen. In de buikholte liggen namelijk allerlei organen en gevoelige structuren. Blijkt de pijn te verdwijnen bij het zachtjes palperen bij aangespannen buikspieren? Dan verwijs je door, want dan komen de klachten waarschijnlijk niet door triggerpoints, maar mogelijk door een ander orgaan. Sowieso is het verstandig om bij vage klachten die niet direct terug te voeren zijn als zijnde triggerpointpijn van de spieren, om een arts in te schakelen. Dit omdat organen ook deze uitstralende sensatie kunnen geven bij disfunctioneren. Denk aan blindedarmontsteking en de uitstralende pijn van nierstenen, lever- en miltproblemen Het is dus belangrijk om zowel te onderzoeken op disfunctie van organen als van spieren.

Belemmerende factoren

Als je triggerpoints behandelt, is het noodzaak dat je de problemen aanpakt bij de echte oorzaak. Een deel van de oorzaak kan overigens ook onderdeel zijn van belemmerende factoren die herstel met triggerpointtherapie in de weg kunnen staan. Zo kunnen triggerpoints door stress en psychologische factoren ontstaan, en kunnen deze factoren het herstel tevens bemoeilijken. Wil je als therapeut optimale therapie en coaching nastreven, onderzoek en behandel (of verwijs door) dan ook deze zes soorten belemmerende factoren:

1.Fysieke stress - compressie van spieren (zware tas aan de schouder dragen, strakke kleding dragen en andere zaken die de spierbewegingen belemmeren), afwijkende lichaamsbouw (ongelijke bekkenhelften, beenverkorting, te korte bovenarmen en het Ehlers-Danlossyndroom type 3) en posturale stress (veelvuldig of langdurig het lichaam belasten met bijvoorbeeld een verkeerde houding).

2.Voedingstekorten - vitamine B1, B6, B12, C, D, foliumzuur, mineralen en spoorelementen.

3.Metabole & endocriene aandoeningen - hypothyreoïdie (vaak bij fibromyalgie), hypoglykemie (diabetes) en hyperuremie (jicht).

4.Psychologische factoren - depressie, angst, slaapstoornissen en sportambities.

5.Chronische infecties - viraal (zoals herpes simplex en griep), bacterieel (sinusitis, kiesabces, urineweginfectie, ziekte van Lyme) en parasitaire infecties (bijvoorbeeld giardiasis, amoebiasis en vislintworm)

6.Overige factoren – allergische rhinitis, slaaptekort, zenuwbeknelling, medicatie en reuma.

Bewegingsangst

Bewegingsangst is onderdeel van de psychologische factoren. Het is zowel een klachtonderhoudende als een belemmerende factor voor herstel. Als je bij klachten hulp zoekt, ga je vaak aan de slag met bewegingsoefeningen. Tijdens de therapie leer en ervaar je dat je bepaalde bewegingen wel kunt uitoefenen, zonder dat dit hevige pijn veroorzaakt en/of de klachten verergert. Dit kan door te beginnen met passieve bewegingen die overgaan in actieve bewegingen.

Door klachten of de angst dat je deze gaat krijgen, heb je onbewust deze angst ontwikkeld, doordat je bij een bepaalde beweging bijvoorbeeld ineens een pijnscheut kreeg of naderhand erge last had van pijn en andere klachten. Onbewust onthoud je lichaam en je brein dit en ga je onbewust die bewegingen vermijden. De gevolgen:

Je klachten worden onderhouden, want door de bewegingen te vermijden ontstaat er alleen maar meer stijfheid, en dus ook pijn. Wat weer leidt tot minder bewegen en zo start de cirkel weer opnieuw.

Ook kun je doordat je de ene beweging mijdt, vreemde bewegingen gaan maken of andere spieren meer belasten. Dit kan elders in het lichaam weer problemen veroorzaken.

Bewegingsangst behandelen

Voor jou als triggerpointcoach is bewegingsangst een heel belangrijke klachtonderhoudende factor om te behandelen. Zeker bij cliënten met ME/CVS, fibromyalgie, MPS, Late Whiplash Syndroom, reumatoïde artritis en RSI/KANS, omdat bij deze cliënten bewegingsangst vaak een rol speelt en het herstel in de weg staat.

3 tips voor triggerpointtherapie in de praktijk

De manier waarop je als therapeut je behandelingen in de praktijk uitvoert, is naast theoretische kennis van groot belang voor de effectiviteit van je behandeling.

Hierbij drie tips om jouw cliënten nog beter van dienst te zijn:

1.Neem de tijd voor een uitgebreide anamnese en observeer!

Een goed begin is het halve werk. Gebruik daarom bij de anamnese onze uitgebreide vragenlijst en breng de levensstijl en gezondheidstoestand van je cliënt zo goed mogelijk in kaart. Wees niet bang om persoonlijke vragen te stellen, want in de persoonlijke sfeer kunnen veel invloeden schuilen die van invloed zijn op de klacht(en). Alle nodige informatie achterhalen is van belang om een effectief behandelplan op te stellen en je cliënt zo goed mogelijk van zijn of haar klachten af te helpen. Observeer je klant goed, dan kun je inspelen op zijn of haar houding en reacties om informatie nog beter te achterhalen. Vraag altijd goed door en check of je het verhaal goed begrijpt door te parafraseren.

2.Gebruik bewegingstests om aangedane spieren te achterhalen

Met verschillende bewegingstests kun je een goed beeld krijgen van de spieren die direct en indirect zijn aangedaan. Betrek ook de houding van de cliënt bij je onderzoek en bekijk waar opvallende spierspanningen zitten in relatie tot de klacht.

3.Stel een behandelplan op

Op basis van je anamnese en onderzoek ga je een aantal spieren nader onderzoeken. Je voelt waar triggerpoints zitten en behandelt deze. Daarna kun je testen hoe dit ‘aanslaat’ bij je cliënt en wat dus het resultaat is. Daaruit trek je conclusies en stel je een behandel- en vervolgplan op.

Meer informatie over klachten en aandoeningen, uitleg in de praktijk, praktische tips voor behandelingen, en technieken en vaardigheden om cliënten effectief van hun myofasciale triggerpoints af te helpen, krijg en leer je bij Module 2 en Module 3.

Bronnen

  1. Davies, C. (2003). Handboek triggerpoint-therapie; verminder zelf je pijnklachten. Haarlem: Altamira-Brecht BV.
  2. Gautschi, R. (2016). Manuelle Triggerpunkt-therapie; myofasciale schmerzen und funktionsstorungen erkennen, verstehen und behandln. Stuttgart: Thieme.
  3. Travell, G., Simons, G., Simons, S. (1999). Myofascial Pain and Dysfunction. The Trigger Point Manual. Volume 1. Upper Half of Body and volume 2. The Lower Extremities. Williams & Wilkins: Philadelphia.
  4. Wilgen, P., Nijs, J. (2010). Pijneducatie; een praktische handleiding voor (para)medici. Houten: Bohn, Stafleu van Loghum.

Wil je geen blog missen? Schrijf je dan hier in!

Reageer!

Terug